ngo-openboek.be

SITE SLOGAN

 
  • Increase font size
  • Default font size
  • Decrease font size

Tewerkstelling bij de ngo's

De ngo’s kennen een zeer gediversifieerd aanbod qua tewerkstelling.  Enerzijds kadert de sector in de brede non-profitsector van Vlaanderen/België, anderzijds is er ook een belangrijke internationale tewerkstelling. 
Voor de Vlaamse ngo’s neemt de sector de vijfde plaats in binnen de socio-culturele sector:  na het sociaal-cultureel volwassenenwerk,  jeugd, beroepsopleiding en samenlevingsopbouw.

 

Arbeidsomstandigheden

Voor de Vlaamse ngo’s neemt de sector de vijfde plaats in binnen de socio-culturele sector:  na het sociaal-cultureel volwassenenwerk, jeugd, beroepsopleiding en samenlevingsopbouw.  Ze vertoeven verder in het gezelschap van organisaties actief op het vlak van sport, minderheden, milieu, cultuurcentra, enz. De arbeidsomstandigheden zijn dan ook in grote mate dezelfde als die van de brede sector[1]: de ngo-sector kan gebruik maken van verschillende maatregelen die flexibiliteit in het beroepsleven mogelijk maken, gaande van gewoon en thematisch tijdskrediet, over vrijstelling arbeidstijd voor oudere werknemers en dikwijls ook van glijdende werkuren of mogelijkheid tot thuiswerk.  
Deeltijds werk is zeer frequent. De meeste organisaties staan deeltijds werken toe, zij het niet voor alle functies. Onbetaald verlof, bijkomende vakantiedagen (boven de wettelijke), anciënniteitsverlof kenmerken verder de cultuur van de sector: er wordt veel belang gehecht aan een evenwichtige work-life-balans. Dit maakt het mogelijk dat medewerkers openstaan voor extra inzet, avond- en weekendwerk gedurende bepaalde periodes, zoals campagnemomenten en dienstreizen overzee.  

Salarisbeleid

Over het salarisbeleid werd in 2008 bij een representatieve groep van grote en middelgrote ngo’s een onderzoek gevoerd[2]. Hoewel er geen verplichte (minimum)barema’s bestaan in de sector kunnen de lonen de vergelijking doorstaan met de socio-culturele sector én met de privé-sector, zeker wanneer het de lagere functies betreft. Vooral op de secundaire arbeidsvoorwaarden (aanvullende elementen zoals groepsverzekering, hospistalisatieverzekering, verplaatsingsvergoeding, enz.) komen de verschillen tussen de organisaties onderling en de profit-sector naar boven. Deze aanvullende voordelen staan nog in de kinderschoenen, zeker bij kleine organisaties. In het kader van de non-profitsector wordt er nu vooral met Vlaamse subsidies een (bescheiden) sectorale pensioenpijler opgezet, die vanaf 2010 zou geactiveerd worden. Bepaalde voordelen die in de profit-sector voorkomen - zoals bonussen en bedrijfswagens - zijn eerder zeldzaam, en winstparticipaties zijn vanzelfsprekend uitgesloten. 
Voor het bepalen van het basissalaris en de verhoging daarvan hanteren de ngo’s eigen salarisstelsels, veelal gebaseerd ofwel op de loonbarema’s van de andere sectoren van de socio-culturele sector ofwel op de barema’s van de federale ambtenaren. De grote organisaties hebben soms een huissysteem uitgewerkt door gespecialiseerde bureaus[3], soms gekoppeld aan een eigen functiewaarderingssysteem. De verhoging gebeurt in de meeste gevallen automatisch, op basis van anciënniteit. De loonspanning tussen hoogste en laagste lonen is beduidend kleiner dan op de algemene markt.

Aantal medewerkers

Het aantal medewerkers per ngo varieert sterk. Er zijn naast Artsen Zonder Grenzen nog enkele uitschieters die meer dan 75 personen tewerkstellen, maar de meeste ngo’s tellen minder dan 50 werknemers in België.  De diversiteit van die medewerkers is belangrijk waar het de man-vrouw-verhouding en de leeftijd van de medewerkers betreft: de sector is vrouwelijk (vooral sterk in functies die de noordwerking betreffen), en de leeftijd is gediversifieerd behalve voor de categorie -25-jaar. Diversiteit op het vlak van allochtone medewerkers in België of mensen met een handicap is niet in kaart gebracht, maar de sector weet dat ze zwak staat op dat vlak. Dit is niet anders in de brede non-profit. 

Breed spectrum van functies

De medewerkers worden ingezet in een breed spectrum van functies: de recente studie over loonbeleid[4] ging uit van algemene functies, zoals die ook in andere organisaties of bedrijven voorkomen, en sectorspecifieke functies. Bij de algemene functies vinden we deze van administratief medewerker, boekhouder, HR-medewerker, IT-medewerker, communicatieverantwoordelijke, directiesecretaris, verantwoordelijke financiën en administratie, en algemeen directeur. Bij de sectorspecifieke functies gaat dit van educatief medewerker, medewerker bewegingswerk, hoofd noordwerking, over medewerker en hoofd Zuidwerking, medewerker lobbying en beleidsbeïnvloeding, medewerker en hoofd fondsenwerving, tot de coöperanten waaronder regio-coördinatoren. 
Er zijn echter veel andere functies mogelijk: afhankelijk van de ngo en haar specialisatie komen er eventueel op het hoofdkantoor geografische desks voor met specialisten aangaande bepaalde landen, of specialisten rond thema’s als volksgezondheid, landbouw, water..

Arbeidscontract 

De medewerkers zijn meestal verbonden met de ngo door een arbeidscontract. Dit neemt niet weg dat een aantal personen zich op vrijwillige basis inzetten, in logistieke functies (giftenadminsitratie, documentatie, voorraadbeheer, vertaler). Speciale 'nepstatuten' komen nog nauwelijks voor: aan Vlaamse kant zijn ongeveer alle DAC-statuten omgezet in een subsidie aan de werkgever. De sector geniet ook van andere tewerkstellingssubsidies (Sociale maribel, Gesco, ...).

Internationale tewerkstelling

De internationale tewerkstelling is een hoofdstuk apart. Een groot aantal ngo’s stelt coöperanten (‘expats’) tewerk in het kader van de ontwikkelingssamenwerking. Dit zijn personen die niet afkomstig zijn van het land waar ze ingezet worden. Het gaat hier om medewerkers van Europese origine maar ook van andere landen: Westerse én Zuid-landen. In het laatste geval spreken we soms van Zuid-Zuid-coöperanten. Het federale subsisiestelsel van de ngo’s kent van oudsher een speciaal ‘statuut’ toe aan deze mensen. Sedert de laatste hervorming (Koninklijk Besluit 24-9-2006) wordt dit ‘statuut’ nog alleen verzekerd voor personen die een band hebben met EU-landen bij vertrek en aan een aantal voorwaarden voldoen. Het statuut houdt voor deze medewerkers een aantal verplicht toe te kennen voordelen in die de ngo zelf moet verzorgen, gaande van een basisinkomen dat rekening houdt met anciënniteit, tot kinderbijslagen en inschrijving in een stelsel van sociale zekerheid. Dit laatste wordt meestal gerealiseerd via een inschrijving bij de (Belgische) Dienst Overzeese Sociale Zekerheid. Het Belgische stelsel van sociale zekerheid (RSZ) is niet van toepassing op deze mensen, die buiten de EU worden ingezet. De coöperanten worden op verschillende manieren op het terrein ingezet: als expert die de partnerorganisatie en/of zijn netwerk duurzaam versterkt, als vertegenwoordiger van de Noord-ngo om de partners op te volgen, en/of om de lobby-activiteiten en educatieactiviteiten in het noorden (België, EU) te voeden. De inzet van coöperanten is sedert het ontstaan sterk gefluctueerd en gediversifieerd. Waar er vroeger haast uitsluitend op lange en zelfs zeer lange termijn coöperanten werd 'uitgezonden', zien we een spectaculaire daling van de klassieke vorm van uitzenden. Het vertegenwoordigingswerk heeft wel terug aan belang gewonnen, en ook de uitzendingen in de noodhulp is stevig gebleven. De lokale expertise is echter veel sterker geworden, en dit merken we aan de opkomst van een nieuw verschijnsel: de aanwerving van lokaal personeel, op de loonlijst van de Belgische ngo of van haar lokale zetel. Daarnaast worden er andere types van 'uitzenden' gerealiseerd: korte missies, stages, inleefreizen, uitzenden van juniors. Hiermee speelt de sector niet alleen in op het fenomeen van de mondialisering, maar zoekt ze ook naar een manier om de noodzakelijke vernieuwing van het coöperanten- en gewoon personeel te realiseren.    

 

[1] De ngo’s vallen allen onder het PC 329, dat op haar beurt opgedeeld is in 3 subcomités : respectievelijk voor Vlaamse en Franstalige organisaties en tweetalige organisaties in het gewest Brussel.
[2] Hudson, Rapport remuneratiestudie in de ngo-sector 2008. niet gepubliceerd.
[3] Berenschot, Watson -Wyatt
[4] Zie noot 2